Dominee Martèl

Welkom op de site ter nagedachtenis aan dominee Benny Martèl (1924-2016).

Dominee Martèl begon met preken in 1960 in Zaandam (nog als student) waar hij een van de initiatoren was van de moderne jeugddienst. Zijn allereerste preek was ‘Blindvliegen’. Hij studeerde af in januari 1966 , en daarna heeft hij de volgende gemeentes als standplaats gehad: Neede, Egmond aan Zee en Pijnacker. Daarnaast heeft hij op vele plekken in het hele land gepreekt. In 1989 ging hij met emeritaat.

Hij was geliefd bij zijn gemeenteleden en andere toehoorders vanwege zijn heldere en eenvoudig toegankelijke preken. Het afgelopen jaar hebben we een groot gedeelte van deze (door hemzelf uitgeschreven) preken gedigitaliseerd. Via deze site heeft u toegang tot al deze preken, met uitzondering van de (vaak zeer persoonlijke) preken ter gelegenheid van begrafenissen en huwelijken. Deze preken zijn meestal nog wel aanwezig en kunt u hieronder aanvragen.

Kunstwerken & Gedichten

Een selectie van kunstwerken en gedichten door Ben Martèl is te vinden op deze site.

Lees de dichtbundel “Een Handvol Licht” »
Bekijk de kunstwerken »

Bekijk de kunstwerken

Doorzoek de preken

U kunt de gedigitaliseerde preken van dominee Martèl via onderstaande links doorzoeken:

Verzoek een preek

Bent u getrouwd of gedoopt door dominee Martèl op een bepaalde datum of heeft u herinneringen aan bepaalde bijzondere preken maar zijn deze niet te vinden op de site? Stuur dan een e-mail naar [email protected] met plaats en datum van de preek.

Op de hoogte blijven

Wilt u op de hoogte blijven van de ontwikkelingen van deze site? Vul dan hiernaast uw naam en e-mailadres in.

Blindvliegen

Preek voor jongeren · Zaandam 7.2.1960

Luister naar deze preek:

 

Uit de Bijbel:      Joh. 20:24-29

Tekst: “Zalig zij, die niet gezien hebben en toch geloven” (vert. NBG). “Gelukkig zijn zij die geloven zonder te zien” (vert. Anne de Vries/prof. v. Stempvoort). (Joh. 20:29)

Het is gebeurd tijdens de Koreaanse oorlog in 1950. Ken Schechter, de US-piloot van de jager F84, was opgestegen van een vliegdekschip en vloog in de richting van Noord-Koreaans gebied. Eenmaal boven de vijandelijke linies ontdekte hij, dat hij beschoten werd. Ergens beneden hem vloog een andere Amerikaanse jager, die bestuurd werd door zijn vriend, Howard Thorn.  – Plotseling hoorde deze Howard door zijn koptelefoon de schorre stem van Ken: “Hallo, Howard, help me… Ik zie niets meer… Alles is donker om me heen… O God, help me…!”

– Toen Howard door het doorzichtige dak van zijn cockpit naar boven keek zag hij, hoog boven zich, het vliegtuig van zijn vriend Ken. Het vloog steil naar boven met een donkere rookwolk achter zich aan. Hij moest getroffen zijn! – Howard riep door de microfoon: “Hallo Ken… hier is Howard… ik heb je gehoord… hou je kalm en luister goed… ik help je… duw de stuurknuppel wat omlaag, dan vlieg je recht… ik kom naast je vliegen… maar blijf kalm!” –

Wat was er gebeurd? – Boven Wong-Song, in vijandelijk gebied had een granaat uit een afweergeschut de cockpit van Kens vliegtuig getroffen. Ken had het gezicht van beide ogen verloren. Hij kon niet meer zien. Hij was blind geworden. En dat terwijl hij vloog! Intussen was zijn vriend Howard op enige afstand naast hem gaan vliegen en gaf zo goed en zo kwaad als het ging zijn instructies aan de blind geworden Ken. – Dat kon hij doen via de radio-installatie, die als door een wonder niet defect was geraakt. –

Op een zeker ogenblik klonk een zwakke stem door de microfoon: “Hallo, Howard… ik ben hulpeloos… maar probeer me thuis te brengen… àls het mogelijk is…”. – “Oké,” riep Howard terug, “we proberen het… als je maar kalm blijft en naar mij luistert… stuurknuppel wat naar rechts… we zijn de frontlinie intussen al gepasseerd. Hier in de buurt moet een vliegveld zijn, ik denk nog zo’n 60 kilometer…”

Het vliegtuig van Ken begon angstwekkend te schommelen en Howard verbaasde zich erover, dat zijn blind geworden vriend het tot nu toe had kunnen uithouden. Howard keek scherp uit naar het vliegveld en zag toe iets in de verte schemeren. “Hai Ken,” riep hij door de microfoon, “we gaan omlaag… de neus van je toestel naar beneden… ho, niet te veel… kalm aan… Ik zie het vliegveld… We proberen te landen… We maken een bocht en dan zet ik je neer…” Maar Ken gaf geen antwoord. – Howard bleef doorpraten: “Ken, nu stuurknuppel wat naar links… juist, goed zó…” –

En toen kwam het moeilijkste karwei: een blinde vlieger te laten landen! – Ken was bijna uitgeput door pijn en bloedverlies, maar hij vloog goed, op de aanwijzingen van zijn vriend. Nu gaf Howard de laatste instructies voor het landen: “Ken, je bent nu boven de landingsbaan— stuurknuppel iets naar je toe halen… goed zó… nu snelheid verminderen… je komt omlaag… nog meer stuur terug… ja, je bent er….! Het is oké, man!” – En Howard zag, hoe Kens vliegtuig met een schok op de grond kwam, de vonken schoten in het rond, maar Ken was behouden thuisgekomen. – Er was een wonder gebeurd!

Dit adembenemende verhaal is historisch en werd gepubliceerd in een Amerikaans tijdschrift. Ik moest aan dit verhaal denken, toen ik in de Bijbel de ontmoeting van Jezus en Thomas na de Paasmorgen weer las. En dan vooral de woorden van Jezus: “Zalig zij die niet zien en toch geloven”.

Hoe was de situatie? – Acht dagen na Jezus’ opstanding zijn de discipelen bij elkaar gekomen in een huis ergens in Jeruzalem. Ze hadden de deuren goed gesloten en gegrendeld, want ze waren bang voor de Joden. Die hadden immers hun Heer  gekruisigd en je kon nooit weten wat zij nog eens met zijn discipelen zouden uitvoeren. Ze moesten dus zo min mogelijk risico’s nemen en vandaar: alle deuren op het nachtslot. – Thomas was ook bij hen. Thoma, die eerder had gezegd: “Wat zeggen jullie? Jezus opgestaan? Man, schei uit, dat kan immers niet! Maak dat anderen maar wijs. Hoe kan die Jezus, die gestorven is, nu zijn opgestaan? Ben je mal. Dat is onmogelijk. Dat, dat moet ik eerst zien!”. – Sindsdien heeft Thomas een soort onsterfelijkheid in de taal gekregen, want we zeggen van iemand die iets niet geloven wil, dat hij een ‘ongelovige Thomas’ is.

Maar weet u, wat nu het merkwaardige is? Deze Thomas is niet ongeloviger dan de andere discipelen. Dat weten we van Lucas. Hij vertelt dat de discipelen na Jezus’ opstanding zo blij waren, dat ze van pure blijdschap niet geloofden. Ze waren zo ondersteboven van die geweldige gebeurtenis, dat ze het niet konden geloven. En terwijl ze dan met elkaar druk staan te discussiëren over het wonder van de opstanding eet Jezus een gebakken visje op! Ja, als de mensen zich opwinden, gaat Jezus rustig met het gewone leven verder.

Laten we luisteren wat Johannes verder vertelt. Terwijl de discipelen daar in dat huis bij elkaar zijn, komt Jezus binnen, gaat naar Thomas toe en zegt: “Kijk, Thomas – leg je vingers nu maar in deze littekens van mijn handen. Zie je het goed? Hier, Thomas, hier hebben de spijkers van het kruis gezeten. Voel je het? Geloof je het nu, dat Ik het ben?”. En dan wordt Thomas uit de theorie van de menselijke ónmogelijkheid gehaald en midden in de praktijk van Góds mógelijkheid geplaatst. Hij mag het zien en voelen. En als hij de littekens van Christus heeft betast (en dat zal hij góed hebben gedaan!) krijgt zijn ongeloof een elektrische schok. Het gaat hem dan door merg en been. We zouden zeggen: hij krijgt er kippenvel van: Thomas herkent zijn Heer! – Vóór dit ogenblik heeft Thomas Hem eigenlijk nooit gekend! Maar nú, op dit ogenblik, ontdekt Thomas dat Jezus van Nazareth, de Christus is; Zijn Christus.

Nu – u zult zich dat kunnen voorstellen – Thomas móet nu wat zeggen. Deze ontdekkende schok verlamt hem niet, maar doet hem getuigen: “Mijn Heer en mijn God”. – Maar ja, dat is gemakkelijk, zeggen we. Thomas heeft nu kunnen zien en voelen. Dat heeft Jezus kennelijk ook gedacht, want Hij zegt: “Alles goed en wel, Thomas, je bent nu aan je trekken gekomen, maar zal Ik je nu eens wat zeggen? – Zalig zijn zij die niet zien en tóch geloven!”

Nu, daar zitten we dan. Met deze woorden zullen we het in ons leven moeten doen. – Wat is geloven? Is dat ons buigen voor een blind en dreigend noodlot? Is dat een eerste-hulp-bij-ongelukken als we in de narigheid zitten? – Geloven is niet: met oogkleppen door het leven gaan. Geloven is: Jezus ontmoet hebben, eerst met één groot boek twijfel en ongeloof, maar dàn met die geláden woorden in je hart en op je lippen: “mijn Heer en mijn God”. – En dan is geloven niet een klakkeloos door-het-leven-gaan met daar ergens ver weg een noodlot, een natuur of een “Voorzienigheid”, maar dan is geloven een op-God-vertrouwend door-het-leven-gaan. –

Geloven is een soort “blindvliegen” door het leven.  We vliegen door het leven en door de tijd. Het lijkt wel of we allemaal, elk van ons, in een privé-straaljager zitten. Want wat hebben we het druk. We zeggen wel: “och, och, wat vliegt de tijd; Zó begin je de week en zó sta je weer voor het weekend” –maar niet de tijd vliegt, maar wij vliegen. Het kan niet hard genoeg: snelheid, snelheid, tempo, tempo. Gas op de plank, jongens, hoe harder hoe fijner – àls je het tenminste dan nog kunt vertellen.

En hoe vlugger het leven hoe beter: hoe intenser we geleefd wórden, hoe harder we schreeuwen: “waar blijft de tijd” – en “ik heb geen tijd!”. – Het is tegenwoordig toch al zó, dat wie de minste tijd heeft, de meeste status heeft. Het stáát wanneer je, zuchtend in je agenda bladerend, zegt: “Ik ben de eerstkomende drie weken helemaal bezet. Ik heb absoluut geen tijd!”. – We hebben geen tijd. Neen, dat is eigenlijk ook vanzelfsprekend, want de tijd heeft òns. –

Zo leven we vliegend, van de ene dag in de andere. En al vliegend worden we geleefd. – Het kan dan gebeuren, dat wij sprekend op Thomas lijken. Zo ouderwets en modern tegelijk zijn we nu eenmaal. We zeggen dan: “ik geloof niet, want ik zie niets. Maar intussen geloven we wel in de TV en breken we ons hoofd niet over het feit, dat we niets maar dan ook niets van die beeld-golven daar in de lucht kunnen zien. Ja – we zien wel de werking van die beeldgolven, maar niet de beeldgolven zelf. –

“Ik kan niet geloven, want ik zie niets” – maar tegelijkertijd draaien we het lichtknopje in de kamer aan en gelóven dat het licht zal worden, terwijl we van de elektriciteit zelf, die geheimzinnige stroom, niets zien. Wel de werking, zeker! – Ja, die werking. Er zijn een heleboel christenen, die nu bepaald niet als zoutend zout in het leven staan. Geen licht uitstralen. Geen glans-nummers-van-de-Heer-zijn. Maar er zijn en Goddank toch óók in wier leven iets merkbaar is van de werking van Gods Geest. U kent ze vast en zeker ook wel. Het ligt heel vaak in een simpel gebaar, een gepast woord of een woordeloze daad.

Wat zien we wèl? Het onrecht, het slechte, het wantrouwen, de ellende en de narigheid, maar niet de God die er een eind aan maakt. We zouden zo graag God willen zien en betasten. We zouden zo graag, net als Thomas, met onze handen en onze ogen willen geloven. Maar wat wij met onze ogen of met ons verstand zien, daar kennen we de omtrek van; dat kunnen we met onze hersens verwerken; dat geven we een gemakkelijke stoel in ons denken; daar krijgen we een zekere macht over. Een sterrenkundige zei: “Maandenlang heb ik met mijn telescoop de hemel afgezocht, maar nergens heb ik God kunnen ontdekken”. – Zijn wij niet net als deze man? Als wij God maar door een telescoop konden begluren, dan konden we Hem beheersen en begrenzen. Dan konden we Hem in de gaten houden. Ja – dat ligt ons wel. We willen met onze kijkers God in het oog houden en vergeten, dat we onszèlf nauwelijks in het oog kunnen houden. En intussen schieten we met onze ruimte-capsules de kosmos in en ik vraag me wel eens af of we hiermee niet een demonstratie geven van onze onmacht om dèze wereld bewoonbaar te maken. Een wereld waarin mensen en volken kunnen leven zonder angst voor een 3eWereldoorlog!

We stappen in onze ruimte-laboratoria en we gaan met onze wijd geopende ogen God tegemoet. Straks hebben we God niet meer nodig, zeggen we, want uiteindelijk weten we álles. – Maar God lacht en zendt zijn Zoon Jezus Christus in onze wereld van vragende en onverschillige, van sentimentele en bikkelharde mensen. En het wordt Kerstmis zonder dat één mens erom vraagt. En achter de kribbe van Bethlehem staat het kruis en weer achter het kruis dat open graf: Pasen. Die vreemde vroegte waarop God de dood voor altijd schaakmat zette. – Maar wij geloven het niet en proberen God in de gaten te houden. Maar dan gebeurt het, dat Jezus dóór de gesloten deuren van onze zelfgenoegzaamheid heen wandelt; al onze telescopen opzij schuift en zegt: “Zalig die niet zien en toch geloven”. – Nu begrijpen we misschien ook wat Paulus bedoelt als hij zegt: Geloof is een bewijs van wat we niet zien.

Geloven is, als het erop aankomt, “blindvliegen”: Blindvliegen op het radar-scherm van Gods Woord. Blindvliegen met in de koptelefoon de stem van Jezus: “Kop op, mensen, heb goede moed, Ik heb de wereld overwonnen. Mij is gegeven álle macht in de hemel en op de aarde. Ik ben de weg, de Waarheid en het Leven”. Zoals Ken, die blinde vlieger, vloog en veilig landde op de instructies van zijn vriend Howard, zo vliegen wij veilig op de instructies van onze Heiland Jezus Christus.

We vliegen zo graag op het instrument, op het kompas van onze eer,
ons gevoel,
onze status,
ons verstand,
onze macht,
onze eigenwijsheid,
maar in de grensgebieden van ons leven, vallen al deze meters terug op nul. Alleen dat ene instrument: het Woord van God, die ons in Jezus zijn hand toesteekt, is betrouwbaar en veilig.

We hebben God nog nooit gezien. Weet U, dat er eens een jongen was die jarenlang met een meisje correspondeerde zonder haar ooit echt gezien te hebben? En toch is uit deze briefwisseling een pracht huwelijk gegroeid. – We hebben God nog nooit gezien, maar er is een correspondentie, een briefwisseling tussen God en de mensen, tussen God en ons. In die brieven staat Jezus, die het ons al hóórt vragen: “we willen God zien” en ons dan antwoordt: “Wie Mij gezien heeft, heeft ook God mijn Vader gezien”. – En als we de moeite nemen om die Bijbel, Gods brieven aan de mensen, aan òns, te lezen met een vragend hart, met een biddend hart, dan kan het gebeuren dat Jezus onze ogen opent, zodat de schellen van onze open ogen vallen en wij het zien, ineens zien: daar is Jezus! En dat Hij het tot ons zegt: “Kijk, deze littekens zijn er ook voor jou. Het heeft Mij dit gekost om jouw leven een nieuwe glans, een nieuw begin te geven”. Dan komen we tot de ontdekking, dat het niet meer gaat om de tegenstelling zien – niet zien, maar hierom: niet zien – gezien wórden.

Als Ken, die blind was geworden, niet gezien was door zijn vriend Howard, was hij neergestort. Als wij, die zo gauw verblind worden door allerlei filosofieën en theorieën, niet gezien waren door God, zouden we halverwege Bethlehem al in de mist zijn terecht gekomen. We waren dan in de troosteloosheid van een woestijn-nacht terecht gekomen in plaats van in de vreugde van de Paasmorgen.

We moeten wat meer Gods correspondentie lezen. Dan komt Christus Jezus ongemerkt achter ons staan en wacht en kijkt. – Weet u wat “bekering” is? – Dat is, dat we de ogen van Jezus zó in onze rug voelen branden, dat we ons omdraaien en dan Jezus herkennen als onze Heer. En zeggen – net als Thomas – “Mijn Heer en mijn God”. – We vliegen door het leven. Het is blindvliegen; vliegen door het donker van het niet-zien. Maar wij mogen het weten: wij wòrden gezien, wij zijn gezien door God, door Jezus en daarom gelóven wij. – Geloven dat Hij ons veilig door het leven koerst. Dat betekent niet een rimpelloos bestaan. “God heeft ons een zorgeloze reis beloofd, maar wel een behouden aankomst”. – En dan mogen we nog zo snel vliegen, God ziet ons en brengt ons thuis, maar het grote landingsveld in Zijn Koninkrijk. “Zalig die niet zien en tóch geloven”.

Amen.